Sint Joachim

De Sint Joachimkerk in De Moer
Er zijn twee plaatsen, waar Moerse mensen elkaar ontmoeten: ‘t Maoske en de kerk. De dorpsgemeenschap en de H. Joachim vallen bijna samen. Vaak  zijn er gebeurtenissen waarbij samenwerking onontbeerlijk is. Ook bij het oogstfeest en bij Sinterklaasfeesten  wordt de medewerking van de kerk zeer op prijs gesteld.

Hoewel het kerkbezoek afneemt, ook in De Moer, weten mensen elkaar hier toch te vinden. Vooral op de hoogfeesten van het kerkelijk jaar: Kerstmis, Pasen en Pinksteren. Niet te vergeten, Allerheiligen en Allerzielen. Het zegenen van de graven met Allerzielen is door pastoor Gijzelaars begonnen. Het werd een jaarlijks terugkerende plechtigheid die mensen, gezien de overvolle kerk, op prijs stellen.

Bouwgeschiedenis
In 1894 werd het gehucht De Moer een zelfstandige parochie. Daarvoor behoorde deze parochie tot Loon op Zand. Als eerste kerk werd de houten noodkerk uit Dussen gebruikt. In 1902 werd de nieuwe kerk in een neogotische stijl  gebouwd naar ontwerp van de Tilburgse architect C.F. van Hoof (1862-1952). Pastoor Kamp was de bouwheer. Op  6 juni 1903 werd door deze kerk door mgr. W. van der Ven, bisschop van 's-Hertogenbosch, geconsacreerd. De pastoor had een broer, Joachim, die kapelaan was geweest en op jonge leeftijd was gestorven. Uit liefde voor hem, en tot zijn nagedachtenis, koos de pastoor St. Joachim als patroon van zijn pas opgerichte parochie. Op initiatief van pastoor Kamp ontstond een verering van St. Anna (feestdag 16 juli). Na zijn overlijden in 1939 nam deze verering snel af. In de jaren 50 van de vorige eeuw kwamen de laatste bedevaartgangers de plaats bezoeken.

De neogotische kruiskerk met westtoren heeft onder de gootlijsten ter decoratie brede sierfriezen gemetseld. De toren met hoofdingang heeft een vierkante plattegrond met links een traptorentje.  In de wand zit een gedenksteen. Hierop staan de namen van de architect C.F. van Hoof, aannemer Broens, pastoor Kamp en de jaartallen 1901-1902 vermeld.Tussen het torentje en de steunbeer rechts bevindt zich een ondiep portaal onder een zadeldak. Aan de noordzijde is de sacristie vastgebouwd, een gebouwtje met een leien zadeldak met spitsboogvensters en sierankers en aan de schipzijde een entreeportaal en traptorentje.

De kerk bezat in die tijd prachtige meerkleurige versieringen. Die zijn  jammer genoeg overgeschilderd in wit, met uitzondering van genoemde zuilen en ribben. De vensters bevatten eenvoudig glas-in-lood, terwijl de gebrandschilderde ramen van de absis Christus' Geboorte en het Laatste Avondmaal tonen. Deze ramen zijn ca. 1950  door Ninaber van Eyben ontworpen. De kerk bevat een aantal belangrijke onderdelen die vooral uit het atelier van Custers in Eindhoven afkomstig zijn. Dit zijn onder meer de kalkstenen neogotische altaren, net zoals die in de HH Martelarenkerk in Kaatsheuvel zijn. Voorgesteld zijn onder andere het Laatste Avondmaal, de Calvariegroep en de geboorte van Christus. Het H. Anna-altaar en het Maria-altaar dateren beide uit 1906. Een beeld van de H. Antonius met Kind dateert uit 1902; een laatste werk van Custers in deze kerk is de preekstoel met smeedijzeren balustrade en kalkstenen reliëfs met de vier evangelisten uit 1931. Diverse heiligenbeelden versieren de kerk, waaronder één van de H. Joachim op een neogotische sokkel. De kruiswegstaties zijn vervaardigd door Windhausen in 1935. Het oudste onderdeel in de kerk is een midden negentiende eeuwse rood- en geelkoperen doopvont.

Waardering
De kerk is van algemeen belang. Zij heeft cultuur-historisch belang als voorbeeld van een geestelijke en bestuurlijke ontwikkeling, met name de stichting van nieuwe katholieke kerkdorpen in Midden-Brabant. Het kerkgebouw heeft architectuur-historische waarde vanwege de stijl en de plaats in het oeuvre van de architect. Het gebouw heeft ensemblewaarde vanwege de situering, verbonden met de ontwikkeling van het kerkdorp De Moer. Het heeft grote betekenis voor het aanzien van het dorp. De kerk is belangrijk vanwege de gaafheid van in- en exterieur en in relatie tot de structurele en deels visuele gaafheid van de dorpse omgeving (bron: Monumentenzorg).

De Pastoors van de Sint Joachim in De Moer

Zonder pastoors is de kerk ondenkbaar. Zij zijn degenen die mensen nabij zijn op belangrijke momenten in hun leven, zowel vreugdevolle als verdrietige: doop, Eerste Communie, Vormsel, huwelijk, ziekte en overlijden. In die zin spelen zij een centrale rol in de gemeenschap. Parallel met hun komen en gaan verloopt de geschiedenis van de kerk. Het is ondoenlijk om van ieder van hen in dit artikel een uitgebreide levensbeschrijving te geven; we beperken ons daarom tot een korte karakterschets.

Pastoor Kamp (pastoor tussen 1894 en 1939).
Over Pastoor Adrianus Hubertus Franciscus Kamp kunnen we kort zijn: als oprichter van de parochie en als eerste pastoor was hij een zeer toegewijde priester die ontzettend veel heeft betekend voor de ontwikkeling van De Moer, zowel op geestelijk als sociaal gebied. Zijn precies bijgehouden dagboeken zijn wel bekend en geven een gedetailleerd beeld van het ontstaan van de parochie en de bouw van de kerk. Hij was erg vroom en eiste dat ook van zijn parochianen; kinderen moesten vóór school, in een koude kerk, dagelijks de catechismusles volgen! Anders konden zij hun Eerste Communie en hun Vormsel niet doen.

Met de komst van lichte kousen en polkahaar was de duivel in De Moer gekomen, vond Kamp. Het rozenhoedje bidden was een gebeuren dat in elk huishouden dagelijks moest plaatsvinden. En zo zijn er nog heel wat feiten op te sommen.

Hij heeft de parochie gediend tot zijn krachten het begaven. Bekend is dat hij op ’t laatst van zijn leven bij de bediening van een stervende, door een van de huisgenoten op zijn rug naar boven moest worden gedragen.

Pastoor Coenen (pastoor tussen 1939 en 1952)
Hij kwam als oud-missionaris op Nieuw Guinea terug naar Nederland en volgde pastoor Kamp. Hij heeft De Moer door een moeilijke periode geleid: de Tweede Wereldoorlog.  Pastoor Coenen stond bekend als heetgebakerd en onverschrokken. Daarvan kunnen verschillende parochianen over getuigen. Toch was hij erg goed gezien. Het was een echte heer, is de algemene mening.

Zowel Duitse als Engelse soldaten kafferde hij uit, zonder aan de gevolgen te denken. De Duitsers ondervonden dat toen ze de kerkklokken kwamen halen en ook toen enkele gedeserteerde soldaten bescherming wilden zoeken in de schuilkelder van de pastorie, die al vol met buurtbewoners zat. Engelsen soldaten overkwamen hetzelfde toen zij een uitzichtpost wilden betrekken in de kerktoren. Een Engelse soldaat kreeg een hel;e preek van pastoor Coenen toen die uit de kerk een gouden doosje had gestolen, een pyxis die gebruikt werd om bij zieken de H. Communie thuis te brengen.

Hij nam geen blad voor de mond en zei recht voor zijn raap hoe hij over personen en dingen dacht. Dat leidde tot het vertrek van zijn huishoudster Nella, een Duitse, met wie hij constant ruzie had over de persoon van Hitler en over de Duitsers. Nella meende die te moeten verdedigen, maar was daarbij aan het verkeerde adres.

Na de oorlog, in 1947 vierde hij zijn zilveren Priesterfeest. Hij wilde er zelf geen ruchtbaarheid aan geven vanwege de schaarse naoorlogse tijd , maar meester Verhelst, het schoolhoofd, zorgde dat die feestdag er toch kwam.

De catechismusles was op zaterdagmorgen in de kerk. Na de les probeerden de kinderen de pastoor over te halen om naar zijn volière te gaan. De bedoeling was dat hij met zijn pijpensteel het dakje van een vogelkooitje liet klepperen en als de vogels er dan uitfloepten, was dat dikke pret.

Al heel snel werd pastoor Petrus Jozephus Coenen ernstig ziek; in Nieuw – Guinea had hij een tropische leverkwaal opgelopen waaraan hij op 21 augustus 1952 overleed.

Pastoor Ras. (pastoor tussen 1952 en 1968) 
Een pastoor die zijn lauweren al had verdiend in diverse grote parochies. Op 5 september 1952 werd pastoor Johannes Hubertus Alphonsus Ras in De Moer benoemd. Hij was een gemoedelijke, maar soms toch wat afstandelijke man. Alleen zijn vriendschap met het schoolhoofd, Louis Hornman, was onvoorwaardelijk. Zij hebben samen veel tot stand gebracht in De Moer; vooral het verenigingsleven ging beiden ter harte. De pastoor was  geestelijke adviseur van bijna alle verenigingen.

Pastoor Ras was gek op jagen; hij was de voornaamste eigenaar van het jachtrecht, want de meeste boeren hadden dit aan de kerk geschonken. Hij heeft gejaagd tot hij eigenlijk niet meer kon en in de ogen van de medejagers gevaarlijk begon te schieten.

Als men het over pastoor Ras heeft, wordt er wat lacherig gedaan over zijn alcoholgebruik op ’t laatst van zijn leven. Dat is hetgeen waaraan men het eerst denkt bij het noemen van zijn naam, maar we moeten niet vergeten dat pastoor Ras aan aderverkalking leed en dus niet goed tegen sterke drank kon en dat heel wat mensen met minder fraaie motieven dit drinken in de hand werkten door hem steeds weer borreltjes aan te bieden. Konden ze weer eens “lachen!”. Daar tegenover waren er ook mensen die een fles met een of twee glaasjes erin op tafel zetten, om zo het drankgebruik binnen de perken te houden.

Misschien is het beter om in gedachte te houden wat Wies, zijn huishoudster, ondanks dit probleem, over hem zei: Pastoor Ras is de beste pastoor die ik gediend heb!

Hij overleed op 6 maart 1968.

Pastoor Lunter (pastoor tussen 1969 en 1971)
Pastoor Willem Pieter Jan Lunter was godsdienstleraar op het Dr. Mollercollege in Waalwijk. Hij werd op 15 maart 1968 tot pastoor benoemd omdat het een gemakkelijke parochie betrof waar niet veel werk aan was en die hij naast zijn lessen er wel bij kon nemen. Een vooruitstrevend man die bereikte wat hij van plan was.

Hij ging als een wervelwind door de parochie: het kerkbestuur,  dat al jaren in dezelfde samenstelling functioneerde, werd deels vervangen en zoals waarschijnlijk al in de statuten van het bisdom was vastgelegd, kwamen er bindende afspraken voor de duur van hun benoeming. De liturgievernieuwing was hem op het lijf geschreven; parochianen kregen een aandeel in de eucharistievieringen en in zijn preken kwam het nieuwe theologische denken aan bod. De evolutietheorie was een van zijn stokpaardjes, hoewel dat denken toen nog lang niet bij iedereen in kerkelijke kringen was doorgedrongen.

Hij was een man die zag dat sommige karweitjes voor zijn huishoudster te zwaar werden en die nam hij haar, even voortvarend als altijd, uit handen. En zo zag je hem in zijn gele overall de ramen lappen.

Helaas heeft hij Wies, ondanks zijn goede bedoelingen, op het hart getrapt toen hij een kleine beeldenstorm  hield en alle beelden van de kerststal vernietigde. Hij liet ze vervangen door aangeklede figuren die studenten van het Mollercollege voor hem hadden gemaakt. “Die lappenwinkel” noemden Moerse mensen het.

Na twee jaar kwam er al een eind aan zijn pastoraat in De Moer, toen hij in 's-Hertogenbosch benoemd werd als plebaan. De muziek bij zijn laatste mis in De Moer verwoordde hoe zwaar het afscheid hem viel. Vanwege gezondheidsproblemen heeft hij het in Den Bosch niet lang volgehouden. Daarom werd hij opnieuw pastoor; wéér van een kleine parochie, namelijk in Loosbroek. In deze plaats werkte hij tot 1 oktober 1998 om in huize Cunera te Heeswijk – Dinther, na een langdurige ziekte te sterven op 2 december 1999.

 

 

Pastoor van der Zandt (pastoor tussen 1971 en 1982)
Weer een oud-missionaris, ditmaal van Indonesië en van Guatemala. De eerste indruk die hij maakte was een soort herkenning: in zijn uiterlijk en in zijn manier van lopen leek hij veel op pastoor Ras. Hij kwam op 4 november 1970 en werd per 1 januari 1971 benoemd als pastoor.

Een man met veel levenservaring door zijn werk in de missie, maar ook door zijn tijd in het Jappenkamp, zijn werk als aalmoezenier in de gevangenis en de geestelijke verzorging van Spaans sprekende gastarbeiders. Je kon altijd bij hem terecht en hoewel hij een priester van de oude stempel was, bleek het leven sterker dan de leer. Dat kon je opmaken uit sommige adviezen als mensen hem om raad vroegen. Dan ging de mens vóór de kerkelijke wet.

Van het kampleven in Indonesië, waarover hij zelden of nooit sprak, heeft hij een trauma opgelopen dat hem vooral op het laatst van zijn leven parten ging spelen.

Pastoor Cornelis Johannes Albertus van der Zandt  was een eenvoudige, hartelijke man, wars van uiterlijk vertoon. Ook hij was een gewaardeerd priester in De Moer. Jammer genoeg heeft hij afscheid moeten nemen van de parochie, omdat het eenzame leven, in een veel te grote pastorie, hem op zijn leeftijd te zwaar werd. Hij vertrok naar een kleine bungalow in Wamel met de bedoeling daar nog enig werk te doen. Dat bleek een misvatting en na één jaar was hij zó blij dat hij naar Kaatsheuvel kon vertrekken, dat zijn boeken al weken van tevoren van touwtjes waren voorzien om de verhuizing te bespoedigen. Enkele jaren heeft hij in Kaatsheuvel in het huis van pastoor Simkens gewoond en er zijn gouden priesterfeest gevierd, om vervolgens terug te keren naar Sparrendaal in Vught, het bejaardentehuis van zijn congregatie. Later, op 24 januari 1996, is hij overleden in Huize St. Barbara te Schijndel.

Pastoor Gijzelaars (pastoor tussen 1982 en 2001)
Een ongeschoeide Karmeliet of een “blote-voeten-pater” die pastoor was van 1 september 1982 tot 4 april 2001. Met deze pastoor kwam een oude bekende terug in De Moer. Tijdens de ziekte van pastoor Coenen assisteerde hij al in ons dorp. Een kleine, slanke pater in een bruine pij, die op school ook godsdienstles kwam geven. Daar werd hij door de meisjes meteen ingelijfd om mee te voetballen tegen de jongens. Hij had immers een rok aan! Je ziet de loeiers die hij ten beste gaf nog hoog over de speelplaats vliegen tot achter op het grasveld. Daar had je als meisjes wat aan.

In 1982 kwam hij terug, nu als pastoor Petrus Joseph Hubert Gijzelaars; klein en een beetje gezet in een gewoon kostuum en met een fraaie witte kuif. En het voetballen bekeek hij op de t.v.
Hij nam iedereen direct voor zich in door zijn grote eenvoud, zijn hartelijkheid en zijn gevoel voor humor. Hij maakte niet direct de indruk van een krachtig bestuurder en toch is onder zijn pastoraat veel gebeurd. Hij wist op de achtergrond mensen te inspireren en tot activiteit te brengen met de gedachte: wie zèlf iets tot stand brengt, zal alles doen om dat in stand te houden.

Zo ontstond de Dekenale Vereniging Waalwijk; hij liet jongeren hun eigentijdse diensten samenstellen; hij stimuleerde hun kerkelijk optreden en zag welwillend sommige teksten door de vingers. De liefde is toch het grootste gebod, placht hij te zeggen als een lied ogenschijnlijk niet in de kerk thuishoorde. Hij durfde mensen verantwoordelijkheid en vertrouwen te geven. Hij was ook de pastoor van het “verhaal”; vergaderingen duurden soms erg lang, omdat hij tussendoor steeds wat te vertellen had. Vooral zijn angst voor honden en zijn hoogtevrees wist hij aanschouwelijk te brengen.

Gedurende zijn pastoraat is men begonnen met de restauratie van de kerk. Eerst de toren, de dakgoten en daarna het kleine torentje en het dak. Een, achteraf gezien, gelukkig gebeuren, was de brand in de kerk. Die ontstond bij de verwarming en blakerde het interieur zwart. De verzekering knapte het gebouw keurig op en dat kwam, eerlijk gezegd niet ongelegen, volgens de koster, Peer Kemmeren.Ook is er enkele keren ingebroken in de pastorie. Eenmaal wisten enkele parochianen de dief te pakken te krijgen en over te leveren aan de politie. Dat nieuwtje zou andere inbrekers wel afschrikken, dacht een agent.

Iedereen wist dat de pastoor een zwakke gezondheid had,  maar zijn plotselinge overlijden kwam hard aan in De Moer, want iedereen wist dat we nooit meer een “eigen” pastoor zouden krijgen.

Pastoor Aarden (pastoor tussen 2001 en 2003
Pastoor Arnoldus Theodorus Johannes Maria  René Aarden werd op 15 mei 2001 tot pastoor in Loon op Zand en De Moer gewijd.

Een jonge, enthousiaste priester die niet onder stoelen of banken schoof dat hij de behoudende lijn van het bisdom aanhing. Hij voelde zich goed thuis in De Moer; zijn  boerenafkomst schiep blijkbaar toch een band. Vooral op het oogstfeest voelde hij zich als een vis in het water! Creatief en muzikaal speelde hij tijdens de H. Mis ook het orgel als er geen andere organist voorhanden was. Veel waardering oogstte hij voor de manier waarop hij mensen begeleidde bij een overlijden. Jammer voor hem en voor De Moer, vond de bisschop dat hij van parochie moest wisselen. Zo kwam pastoor Aarden in Boekel, in de parochie Sint Agatha terecht en kregen wij onze huidige pastoor Luijckx.

Pastoor Luijckx.(pastoor van 2003 tot heden)
Pastoor Petrus Luijckx is de huidige pastoor die benoemd werd op 1 september 2003. Een nog bijna onbeschreven blad, deze pastoor en dat laten we zo maar even. Bescheiden en vriendelijk, viel het op dat hij na de eerste mis die hij opdroeg in De Moer, onmiddellijk na de viering naar buiten ging om even contact te zoeken met de mensen, voor hij naar Loon op Zand moest. Zeer betrokken bij het gemeenschapsleven van De Moer geeft hij “acte de présence” bij diverse gelegenheden. Als een vereniging iets te vieren heeft, is hij aanwezig. En zijn eerste parochievergadering luisterde hij op met een zelfgeschreven lied.

Na een voortvarend begin kreeg hij al snel de opdracht om te gaan werken aan de fusie van de parochies in de gemeente Loon op Zand. Een erg lastige klus! De verhouding tussen de dorpen  Kaatsheuvel en Loon op Zand is historisch belast. Het wederzijds vertrouwen moest groeien en de verschillende culturen van de parochies maken bij elkaar een fusie er niet eenvoudiger op.

De Moer is er trots op dat een zo kleine gemeenschap de parochie financieel gezond heeft kunnen houden, door zuinig aan te doen en een beroep te doen op elkaars goede krachten en talenten. De mensen zien de kerk als een belangrijke bindende factor in het dorp waarvan zij hopen dat die nog lang levend en in stand blijft.